Sigarenmaken

Sigarenfabriek DeJaco
DeJaco was een zogenaamde moderne sigarenfabriek uit Culemborg. Dat betekende o.a. dat de sigarenmakers op vastgestelde tijden in de fabriek aanwezig moesten zijn. In het verleden was het bij de Culemborgse sigarenfabrieken de gewoonte dat sigarenmakers zelf konden bepalen of ze een dag wel of niet kwamen werken. Zij kregen betaald na het aantal sigaren dat zij maakten.
 
_blankPersoneelsfoto van Sigarenfabriek DeJaco, rond 1924 -- klik op bovenstaande foto voor een vergroting.
   
Fabricageproces
De sigaar bestaat uit versneden tabak, het zogenaamde binnengoed, waaromheen het omblad wordt gerold, een voorbewerkt tabaksblad. Dan heeft men een zogenaamde pop (Z.Ned) of bosje (N.Ned).
Hieromheen wordt dan het dekblad gewikkeld, waarna de sigaar compleet is.
 
De gebruikte tabak werd bevochtigd en het binnengoed werd in het omblad gerold tot een model dat pop werd genoemd. Dit geschiedde in een sigarenmal die bestond uit twintig schuitjes. Vijf gevulde vormen (honderd poppen) werden in een pers gelegd en twee uur lang gedroogd. Daarna werden de poppen een kwartslag gedraaid om naadvorming te voorkomen, dit was het poppendraaien. Als de pop in model was, werden de uitstekende delen afgesneden en hergebruikt in nieuw binnengoed. De pop werd nu handmatig van een dekblad voorzien, dat een kwart of éénzesde deel van een Sumatra-tabaksblad was, dat spiraalsgewijs van het vuureind tot achteren om de pop werd gedraaid.
      
Aangezien de zij-nerven vanuit de hoofdnerf gezien naar links en rechts uitwaaieren en deze zo weinig mogelijk zichtbaar moeten zijn, wordt een sigaar "links" en "rechts" opgedekt. Soms werd de igaar nog bewerkt door hem onder een blokje te rollen om zo de spanningsverschillen, die zijn ontstaan tijdens het handmatig opdekken, te minimaliseren.


 
Als de sigaar gereed was, ging hij naar de sorteerderij. Daar werden de sigaren door speciale vakmensen op lange tafels gesorteerd op kleur, dit gebeurde in ruimten die werden voorzien van daglicht vanuit het noorden. Dan werden de sigaren geperst en voorzien van een code, om vervolgens enkele dagen in de droogkamer te drogen. Vervolgens werden ze voorzien van het bandje en verpakt in kisten, waarbij de bovenste laag sigaren, de spiegel, een zeer egale kleur moest tonen. Stukloon was de regel, en omstreeks 1900 nog had iedere sigarenmaker een poppenmaakster in dienst, die van het stukloon moest worden uitbetaald.